Voordat ik kan gaan nadenken over proces- en ICT problemen en oplossingen voor mijn stichting CVO ’t Gooi, of beter gezegd, voor het groepje scholen met het kleine “hoofdkantoor” is het belangrijk om te bekijken hoe deze organisatie in de ‘markt’ opereert:

Wat is het Business Model? Wat is het Verdienmodel? Wat zijn de voornaamste risico’s?

Het Businessmodel van een school

Het Business Model van een school bestaat uit een aantal elementen: schoolsoort (Voortgezet Onderwijs), signatuur (Christelijk), lokatie en verzorgingsgebied (Hilversum en omgeving) een heel veel onderwijs en andere inhoudelijke aspecten. Met al deze elementen richt een school zich op een bepaald deel van de ‘markt’ voor leerlingen. Het is logisch dat als het gedeelte van de markt waarop zij zich richt droogvalt omdat er minder kinderen van de betreffende doelgroep geboren worden of omdat er überhaupt (veel) minder kinderen geboren worden dan moet de school kritisch kijken naar haar Business Model om haar bestaansrecht opnieuw uit te vinden. Dit is een erg interessant onderwerp, voor later, dus ik ga snel verder met het verdienmodel van een school.

Het Verdienmodel van een school

Als we kijken naar het verdienmodel van een school dan (b)lijkt dat redelijk simpel te zijn. Mijn weergave van het verdienmodel van een school is als volgt:

  1. Het aantal ingeschreven kinderen is volledig bepalend voor de hoogte van de vergoeding die de Overheid betaald aan een school.
  2. Er is 1 moment per kalenderjaar dat een kind telt voor deze opbrengsten en dat is 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar; als voorbeeld voor 2017: het aantal ingeschreven kinderen per 1 oktober 2016 is bepalend voor de vergoeding van het kalenderjaar 2017.
  3. De Overheid bepaalt, eenzijdig, wat de hoogte is van de opbrengst/vergoeding per ingeschreven kind en ook deze wordt per kalenderjaar vastgesteld.
  4. De vergoeding per kind is mede afhankelijk van de soort opleiding en dergelijke.
  5. Ook aan de omvang van een school zijn wat kleinere vergoedingen gekoppeld, er is nog een bonus voor een grotere school, of anders gezegd  een groter bestuur met meerdere kleinere scholen.
  6. Een school mag volledig zelf bepalen hoe zij deze opbrengst/vergoeding besteed.
  7. De Overheid bewaakt, onder andere door middel van de onderwijs inspectie, de kwaliteit van scholen op heel veel gebieden en neemt maatregelen als de kwaliteit onder de norm is. Praktisch alle maatregelen beïnvloeden linksom of rechtsom de beschikbare opbrengst/vergoeding en/of de kosten voor de school.

De simpelheid van het verdienmodel is, in mijn optiek, geen voorbode van de overzichtelijkheid van de financiële risico’s. Ik wil een tweetal inherente financiële risico’s noemen:

  • Een telmoment per jaar

De omstandigheid dat er maar 1 teldatum is en dat deze 5 maanden voor de start van het vergoedingsjaar ligt, is een risico voor (snel) groeiende scholen. Een stevige groei van het aantal leerlingen in een nieuw schooljaar, dat op 1 september begint, vraagt ook een evenredige groei van het aantal docenturen per 1 september. Voor deze extra uitgaven is gedurende 5 maanden  geen dekking in de vergoeding aan scholen.

  • De Overheid als disruptor

De Overheid (b)lijkt op veel gebieden een onbetrouwbare partner als het gaat om haar financiële beleid. De oudere generatie kent misschien de afschaffing van de WIR nog wel. Van de een op de andere dag werd de regeling ingetrokken. Maar zo zijn en worden talloze maatregelen door de Overheid ingevoerd. Bedrijven als Facebook, Google, Uber en Airbnb worden sinds enige tijd: disruptief genoemd omdat ze hele markten “op zijn kop zetten”. In mijn beleving verbleken deze bedrijven bij de Overheid als disruptor. De Overheid stampt met enige regelmaat als een olifant door de porseleinkast. Als het gaat om subsidiëring van CO2 arme auto’s, het stimuleren van zonne- en wind energie en noem maar op. De tijd het bekend maken van een maatregel en de wettelijke implementatie is regelmatig veel te kort. Overigens geldt dat niet alleen voor bedrijven en scholen en andere maatschappelijke organisaties, maar ook voor de Overheid zelf. De belastingdienst, het UWV, DUO en gemeentes in het algemeen, regelmatig plukken zij de wrange vruchten van overhaaste of ondoordachte Haagse politieke besluitvorming waar uiteindelijk de burger het slachtoffer van wordt. Ook scholen hebben last van deze disruptieve Overheid. Een school kan zich heel vaak niet voorbereiden op nieuwe maatregelen uit het Haagse. Dat gaat niet alleen om puur financiële maatregelen maar ook om maatregelen op onderwijsgebied waarvan de kosten vooraf beperkt ingeschat (kunnen) worden en toch leiden tot een financiële achteruitgang. Financieel afhankelijk zijn van de Overheid is niet zonder risico.

Het Verdienmodel is, naast het Businessmodel, bepalend voor de risico’s die een schoolorganisatie loopt, en deze risico’s moeten bepalend zijn voor de inrichting van de organisatie en de processen en daarmee voor het zoeken naar, en het kiezen, van oplossingen.

Een organisatie hoeft echter helemaal geen last te hebben van de financiële risico’s van haar business- en verdienmodel. Als we even kijken naar Airbnb en Uber dan zien we dat zij in staat zijn geweest het benodigde bezit (en risico’s van het bezitten) van onroerend goed en taxi’s bij andere partijen te leggen. Daarmee is hun verdienmodel erg robuust geworden. De mate waarin een organisatie dus slaagt om de risico’s van haar verdienmodel neer te leggen bij andere partijen in de markt bepaald het rest risico dat zij moet beheersen. Daarom is de volgende stap in dit proces het in kaart brengen van de kostenstructuur van scholen.

Dat wordt het onderwerp van mijn volgende blog.